Verschenen in Civis Mundi Digitaal #53 op 2 december 2017.

Je hoeft geen Spinoza te zijn om jezelf ethische vragen te stellen bij bepaalde maatschappelijke evoluties. In dit korte bestek wil ik enkele zaken kort aanraken om te wijzen op een kwalijk fenomeen. Het fenomeen van het misbruik van legalisme door nutsbedrijven, banken, verzekeringen en andere bedrijven die een onontkoombare dienst aanbieden aan de burgers.

Het probleem is niet dat het aanbieden van elektra, gas telefonie, verzekeringen, ziekenhuizen en betaaldiensten een bepaalde schaal noodzakelijk maakt en dus per definitie grote organisaties die taak vervullen. Het probleem is evenmin of dit vanuit een overheidsdienst of vanuit een private onderneming georganiseerd wordt. De discussie van de liberalisering is een oud gevecht en compleet irrelevant. De echte discussie dient te gaan over de juridische relatie tussen burger en organisatie: het contract.

Wie een bankrekening opent of een aansluiting neemt op telefonie of elektra begeeft zich in een contractuele relatie. Die relatie krijgt enerzijds haar vorm in een contract en anderzijds in algemene voorwaarden. Beide zijn zowat de laagste vorm van juridisering in de wettelijke hiërarchie. Een klein kind weet dat de grondwet waardevoller blijkt dan een contract. Dat mensenrechten primeren op algemene voorwaarden.

In de huidige maatschappij is er echter een probleem ontstaan dat inherent die contractuele band op losse schroeven plaatst. Hierom zal ik eerst even uitleggen wat een contract juist is. Een contract is een overeenkomst tussen twee partijen die op grond van gelijkwaardigheid en vrije wil iets afspreken en dit vastleggen in een document waarvan de naleving van die voorwaarden achteraf getoetst kan worden. Het doel van een contract is de naleving van de afspraken te kunnen reguleren en afdwingen. De vraag die zich nu stelt is of er nog sprake is van gelijkwaardige partijen. Mijn stelling is dat dit niet meer het geval is en dat contracten van nutsbedrijven niet beantwoorden aan de premisse van een contract dat twee partijen uit vrije wil en op grond van gelijkwaardigheid een contract aangaan.

Stel u sluit een abonnement op mobiele telefonie af. In de theorie kan u kiezen tussen een aantal aanbieders. Nochtans kan u niet onderhandelen over de voorwaarden van het contract en zelfs eigenlijk niet over de geleverde dienst. Hetzelfde geldt voor gas, banken, verzekeringen of zelfs een ziekenhuisopname. De burger moet hiervoor rekenen op allerhande door de wetgever ingebouwde mechanismen zoals controle op de kwaliteit van de dienstverlening en van de consumentenbelangen. De wetgever heeft zich de afgelopen decennia uitgeput in het invoeren van regulatoren, ombudsdiensten en dergelijke, maar het blijkt niet te werken.

Een voorbeeld zal dit duidelijker maken. Wie elektra wil moet enerzijds een gekeurde installatie in zijn of haar huis hebben en kan dan op het netwerk aansluiten. Het contract gaat uiteraard niet over die logische afspraken. Het contract verwijst naar algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de factuur of de afrekening van de geleverde dienst. Nu vormen die algemene voorwaarden een éénzijdig door de ene contractant, namelijk de aanbieder, opgelegde voorwaarden die éénzijdig veranderd kunnen worden en waar enkel de door de contractant gekozen rechtbank van toepassing is. Op zich een legitieme demarche van de aanbieder. Zo doen nu eenmaal ook kleine bedrijven vaak zaken met hun klanten en het is een laatste redmiddel tegen wanbetaling langs de kant van de klant. Het probleem zit dus elders. Dat probleem zit in slimmigheidjes en juridische spitsvondigheden.

Banken, nutsbedrijven en dergelijke weten dat de burger/consument onmondig is en eigenlijk niet wil en ook niet kan onderhandelen over die algemene voorwaarden, omdat de aangeboden dienst een sociale noodzaak blijkt. De kennis van burger is ook beperkt en hij koop een dienst waar hij geen zicht prijsvorming van heeft. De vrije keuze is dus beperkt en de aanbieders weten dit. Dit heeft ernstige gevolgen want het verlegt de betwistingen naar de publieke functie van de overheid. Justitie moet bijna altijd de geschillen behandelen. De consument staat nergens in zijn onderhandelingen met de aanbieders en loopt ook steevast op een muur met zijn klachten of vragen. Probeer maar eens naar uw bank te stappen en te zeggen dat u niet wil betalen voor deze of gene dienst die in het pakket zit. Probeer maar eens een tariefverhoging (zoals ABN Amro onlangs nog doorvoerde) die éénzijdig opgelegd wordt te betwisten en te wijzen dat u daar niet voor tekende. Probeer maar eens de rechtmatigheid van éénzijdig opgelegde tariefverhogingen van elektra, gas, telefonie, Internet en dergelijke aan te vechten en te laten controleren. Voor de nutsbedrijven en banken is elke verhoging kassa. Neem een bank die 3 miljoen zichtrekeningen 1 € fictieve kosten laat betalen. Onethisch zal u meteen zeggen. Voor de bank is het meteen 3 miljoen euro omzet met één druk op een knop. De meeste cliënten zullen het zelfs niet merken of opzien tegen de frustrerende diefstal. Enkel naïevelingen geloven dat dit niet gebeurt bij nutsbedrijven, banken, verzekeringen of steeds grotere ziekenhuizen.

In het geval de consument dus niet akkoord gaat met de eenzijdig veranderingen kan hij nooit contractbreuk inroepen en als hij dat wil dan moet hij naar de rechtbank, maar waarop baseert die rechtbank zich? Inderdaad op het contract en op de algemene voorwaarden. De burger staat machteloos. De consument moet dus fraude kunnen aantonen om bij de rechtbank enige kans te maken. Fraude die zonder inzage in de interne keuken van de aanbieder onmogelijk is. De aanbieders weten dit en ze weten dus ook dat ze geen contract aangaan met de burgers, maar eigenlijk een licentie nemen op het afnemen van diens geld. Het contract is een blanco cheque. Eigenlijk gaat de consument een vrijwillige afhankelijkheid aan. Die afhankelijkheid evolueert naar een slavernij waarbij de ene contractant geen enkel recht heeft en de andere alle rechten. Eigenlijk is zo’n contract moreel gezien illegaal en zou de wetgever hier tegen dienen op te treden. Een burger kan ook niet zichzelf verkopen aan een slavenmeester om ‘vrijwillig’ in slavernij te gaan zoals in de Romeinse tijd (met dat verschil dat de Romeinse dominus wel degelijk plichten had in het Romeinse recht en zware straffen riskeerde bij misbruik).

Juridische organisatie

In België doet zich nu een vreemd fenomeen voor. Door een beslissing om de werklast en dus vertragingen bij Justitie te beperken voerde de regering een huishoudelijk reglement in waarbij voor veroordelingen door een vrederechter (kantonrechter) onder een bepaald bedrag (in dit geval zo’n 2000 euro) geen mogelijkheid meer bestaat tot beroep en dus honderdduizenden klachten niet meer bij de hogere rechtbank (eerste aanleg) terecht kunnen komen. Het algemeen juridische principe dat rechterlijke beslissingen getoetst kunnen worden door andere rechtbanken bestaat dus niet meer voor een rechtbank die de zwaksten in de maatschappij hoort te beschermen (op zich niet uitzonderlijk want tegen vonnissen van bijvoorbeeld het hof van Assisen is ook geen beroep mogelijk en enkel cassatieberoep wat een toetsen van de rechtsgang is en geen beroep). Het perverse effect is dat onder andere telefonieboeren dit begrepen hebben en sedert enige tijd systematisch tienduizenden dossiers doorschuiven naar vredegerechten. Een rechtbank bedoeld om minnelijke schikkingen te treffen in geval van burenruzies, familietwisten en dergelijke. De advocaten van de nutsbedrijven en de financiële sector weten immers dat ze bij de Belgische vrederechter een vonnis kunnen bekomen dat onherroepelijk uitvoerbaar is. Advocaten, deurwaarders en dergelijke ontdekten een nieuwe goudmijn en vechten bijna voor het binnenhalen van banken, verzekeringen, nutsbedrijven en ziekenhuizen als cliënt. Bovendien weten ze maar al te goed dat de zwaksten in de maatschappij vaak niet opdagen bij die rechtbank. De vredegerechten verworden dus tot verstekfabrieken waar een advocaat met stapels dossiers van onbetaalde telefoonrekeningen, elektrafacturen, ziekenhuisrekeningen opdagen en in tientallen minuten honderden euro’s honoraria per dossier binnenhalen per dossier. De advocaat van Proximus bijvoorbeeld jast er gemiddeld een 50 dossiers per zitting door op een kwartiertje en de vrederechter levert hem dus circa 10.000 € honoraria per kwartier op en een bevriende deurwaarder verdient nog eens evenveel of meer. De rechtbank als zelfbedieningswinkel voor juristen krijgt een geheel nieuwe invulling. Op zo’n zitting van een vredegerecht levert één vrederechter dus een tiental advocaten van nutsbedrijven tienduizenden euro’s gemakkelijk verdiend geld op.

De maatschappelijke keerzijde is dat burgers in precaire situaties op zo’n zitting van de vrederechter dus op een minimum van tijd met een vermenigvuldiging van hun schulden opgezadeld worden (bij de bedragen onder 2000 € komen in een oogwenk 500 € bij, voor de luie rekenaars dus een kwart extra schulden zonder gerechtskosten). Schulden die meteen ook inbaar worden via gerechtelijk weg. Schulden die de overheid met machtsontplooiing en desnoods politionele bescherming moet helpen innen. De overheid straft uiteraard wie geen respect heeft voor de rechtbank, ze hadden maar moeten opdagen. Maar wat als de gedaagde wel opdaagt? Dan blijken de algemene voorwaarden het enige waar de vrederechter zich op kan baseren. Een vrederechter kan immers geen onderzoeksdaden vorderen om de merites van de eventuele betwisting door de burger betreft die algemene voorwaarden of het contract te eisen. De vrederechter zal ook haast nooit dat contract ontbinden wegens het niet voldoen aan de basisprincipes van een geldig contract! De conclusie van de nutsbedrijven en de financiële sector is dan ook om voluit in te zetten op de vredegerechten.

Perverse effecten

Een maatregel om justitie van eindeloze procedures te ontlasten dreigt dus een maatschappelijke ontwrichting tot gevolg te hebben. De verpauperende onderlaag van de bevolking is het slachtoffer van hun zwakke positie die de contracten en algemene voorwaarden opleveren en de manier waarop het justitiële apparaat dit aanpakt.

Het feit dat in de ogen van nutsbedrijven en andere grote organisaties zoals banken en verzekeringen dat de klant een noodzakelijk kwaad is bij het verdienen van geld krijgt een zeer onsmakelijk kantje nu justitie een nuttige handlanger van een vorm van roofkapitalisme wordt.

Een conclusie zou kunnen zijn dat de wetgever het gebruik van contracten en algemene voorwaarden bij nutsbedrijven en bedrijven die diensten aanbieden die een sociaal noodzakelijk karakter hebben zoals bankrekeningen, verzekeringen enzovoort strikter gaat reguleren om het onevenwicht in de relatie tussen burger en aanbieder te herstellen. De huidige situatie is die van een moderne vorm van slavernij en het uitdelen van zweepslagen voor opstandigheid of ongehoorzaamheid. Tegelijk kan de wetgever misschien ook de schaamteloze zelfbediening door advocaten en geprivatiseerde ambtenaren zoals deurwaarders onder de loep nemen (al reken ik hier niet echt op aangezien ruim een derde van de verkozenen des volks zelf jurist is). Het alternatief is een moderne slavernij die een groot deel van de tertiaire sector financiert.


Een reactie achterlaten